Nieuws

Reactie op de brief van minister Slob

Reactie op de brief van minister Slob

Nationaal Programma Onderwijs

 

Vorige week stuurde minister Slob van OCW een brief het veld in met een eerste voorlopige detaillering van het Nationaal Programma Onderwijs; een initiatief waarmee de rijksoverheid voor de looptijd van twee schooljaren (2021-2022 en 2022-2023) een bedrag van 8,5 miljard euro ter beschikking stelt om de negatieve gevolgen van de coronacrisis voor de kinderen in het funderend onderwijs aan te pakken.

Hoewel we enorm blij zijn dat er zo’n mooi substantieel bedrag beschikbaar wordt gesteld voor het funderend onderwijs, plaatsen we kanttekeningen bij de brief die de minister daar vorige week over heeft gestuurd.

  1. Allereerst storen wij ons aan het vertrekpunt van de brief. Alsof de crisis na de heropening van de scholen voorbij is en we weer in een normaalsituatie verkeren waarin we in alle rust de tijd kunnen nemen om alle voorgeschreven acties uit de brief uit te voeren. Dit gaat voorbij aan de werkelijkheid van alledag, waarbij we nog midden in de crisis zitten en de scholen er alles aan moeten doen om dagelijks alle groepen bezet te hebben met gekwalificeerd personeel. Het gaat ook voorbij aan een oplopend aantal afwezige kinderen en leerkrachten door besmettingen en/of quarantaines. En het gaat voorbij aan de toch al enorme hoge werkdruk op de scholen en het feit dat schoolteams al een jaar lang veel voor hun kiezen hebben gekregen. Enige empathie met de medewerkers in de sector was op zijn plaats geweest.
  2. Ten tweede zijn we van mening dat de aanname in de brief onjuist is dat kinderen de afgelopen periode collectief grote onderwijsachterstanden of -vertragingen hebben opgelopen. Wat we wel zien is dat de verschillen tussen kinderen groter zijn geworden en dat sommige kinderen de aansluiting met hun groep zijn kwijtgeraakt, maar de toetsen die we op dit moment afnemen laten ook zien dat er hele groepen kinderen nauwelijks vertragingen hebben opgelopen en dat ze goed hebben geprofiteerd van het afstandsonderwijs. Er zijn zelfs op sommige scholen kinderen met versnellingen.
  3. Ten derde spreekt uit de brief enorm weinig vertrouwen van de minister in de professionaliteit van de scholen en de schoolbesturen. De hele brief is behoorlijk directief en ademt vooral planlast en verantwoordingslast uit. Zo schrijft de minister voor dat alle scholen in april een schoolscan af moeten nemen, waarvan nog niet bekend is aan welke eisen die scan moet voldoen, terwijl wij al jaren ons eigen beproefde systeem hebben van schoolzelfevaluaties op basis van tussen- en eindtoetsen. Wij zijn al lang bezig om in beeld te brengen hoe de kinderen er na de schoolsluiting voorstaan en wat ze nodig hebben qua onderwijsprogramma om hun ontwikkeling voort te zetten. Nu ook nog een van bovenaf opgelegde schoolscan uitvoeren is niet waar de scholen op zitten te wachten. Daarnaast meent de minister te moeten voorschrijven welke onderwijsprogramma’s en interventies nodig zijn door het aankondigen van een menu waaruit scholen moeten kiezen bij de invulling van hun plannen. Dit gaat volledig voorbij aan het feit dat wij al jaren met ons eigen systeem van kwaliteitszorg werken, dat ook door de rijksinspectie met een ruim voldoende is beoordeeld. 
  4. Ten vierde willen we onze ernstige bedenkingen uiten ten aanzien van de verplichting dat iedere basisschool in de eerste en de laatste week van de zomervakantie een zomerschool aan moet bieden. Het beroep wat hiermee op de scholen wordt gedaan getuigt van weinig inlevingsvermogen in hoe hard het personeel straks toe is aan vakantie na een jaar bovenmatig presteren. De aanname dat er wel mensen zullen zijn die twee weken vakantie op willen offeren om een zomerschool te draaien, getuigt van weinig feeling met de werkelijkheid. Dit nog los van de vraag of kinderen er na zo’n bizar jaar op zitten te wachten om in de vakantie twee weken extra naar school te gaan en of je met een aanbod van een zomerschool wel de doelgroep bereikt die je zou willen bereiken. Het aanbod is weliswaar verplicht; gebruikmaking van dat aanbod is echter facultatief. 
  5. Ten vijfde hebben we problemen met het incidentele karakter van deze geldstroom. Al jaren strijdt de sector voor een structureel hogere bekostiging. Het gevaar is nadrukkelijk aanwezig dat we nu twee jaar inzetten op allerlei extra maatregelen, waarna we weer terugvallen op een ontoereikende bekostiging vanaf augustus 2023.  

Uiteraard willen we niet in onze bedenkingen blijven hangen en gaan we inzetten op een zo pragmatisch mogelijke insteek om de beschikbaar gestelde subsidie zo goed en verantwoord mogelijk in te zetten. Dit betekent dat we de nadere uitwerking van de plannen kritisch blijven volgen en zullen blijven zoeken naar een invulling die zoveel mogelijk aansluit bij onze manier van werken en waar wij goed in zijn. Hierbij zullen we vanuit het bestuurskantoor en de scholen zoveel mogelijk in gezamenlijkheid optrekken om de planlast en de verantwoordingslast zo beheersbaar mogelijk te houden. Dit zal de komende maanden nog veel van ons vragen, waarbij één van de grootste uitdagingen nog zal zijn, hoe we aan gekwalificeerd personeel komen dat al deze mooie plannen moet gaan uitvoeren.

We hebben er alle vertrouwen in dat wij vanuit onze professionaliteit op onze manier op een verantwoorde wijze plannen kunnen maken om de dingen te doen die de kinderen van onze scholen nodig hebben. 

 

Hartelijke groet,
 

Patrick Went
directeur-bestuurder